‘Leven, helpen leven en laten leven ?’
Deze aanvallige komedie schetst de belevenissen van een groep
studenten uit verschillende Europese landen die, in het kader
van het ‘Erasmus’-project, een jaartje bijstuderen in de
Catalaanse hoofdstad. De titel verwijst naar het slecht
georganiseerd samenhokken in een studentenhuis waar
verschillende nationaliteiten mekaar ontmoeten. Dat ontmoeten is
overi-gens belangrijker dan de studies : alles is aanleiding
voor een hele reeks gebeurtenissen die hen wijzer maken in het
leven, ver van de voorbestemde carrière die hen wacht. Dit
ontspan-nend ‘haasje-over’ is meteen een ‘ éducation
sentimentale’ van jongeren in ontwikkeling, op zoek naar
zichzelf. Dat regisseur Cédric Klapisch de humoristische toer
opgaat, kwistig leuke opmerkingen rondstrooit en personages met
lichte toets karakteriseert, de plot manipuleert, is meegenomen,
omdat het hoog tijd is dat er nog eens een plezierige film te
bekijken valt. Komedie is immers een moeilijk vak,
situatiekomedies nog het meest. Veel hangt af van het ritme en
de wisselende situaties die toch enige structuur dienen te
hebben wil de film zijn doel niet voorbij schieten. Molière was
van oordeel dat komedie ook enige inhoud moet prijsgeven, liefst
op een leutige, speelse, geestige manier. Maar ook dit wist hij
: geen komedie zonder uitgekiende verhaallijn, vol verrassingen
en, uiteraard, wervelend vertolkt, naar karakter en situatie.
Een heel programma dus. Dat Cédric Klapisch de kijker blijft
bekoren, heeft zo zijn redenen.
Er is vooreerst de ‘nationaliteitenkwestie’ die een aantal
pittige verschillen blootlegt. De onderlinge relaties tussen de
bewoners van het pand kennen een wisselend verloop, de evoluties
van de gevoelens zijn niet meteen voorspelbaar. De typering van
de personages is evenmin statisch, terwijl de ervaringen van de
betrokkenen aanleiding geven tot enige ontboezemingen die kunnen
tellen. De regisseur maakt het zich overigens niet meteen
makkelijker door vrij conventionele jongeren samen te brengen in
een minder traditionele context. Samenleven met ‘vreemdelingen’,
ook al zijn ze ‘student’, is niet meteen voor iedereen evident.
Door hun samenzijn vallen evenwel een paar vastgeroeste meningen
weg, doorbreken ze de banaliteit en krijgt ook hun leventje
kleur, het volle leven achterna.
Klapisch tovert zijn film om tot een ‘pastiche’, vermengt
filmgenres, gebruikt digitale effecten, versnelt of vertraagt de
actie in functie van zijn opzet : een luchtige zeepbel blazen à
la ‘Amélie Poulain’. Behalve de spetterende begingeneriek en de
onbevangen benadering van personages en hun mentaliteit, is er
niet meteen een link te leggen. Klapisch speelt duidelijker in
op de ‘boulevard’- komedie en is minder strak in zijn
plotontwikkeling. Elegant en lichtvoetig peilt hij terloops naar
gevoelens en ideeën in evolutie en laat daarbij geen kans
onbenut om genres te doorprikken op het moment dat hij ze
hanteert. Bovendien ontpopt hij zich tot een knap regisseur van
acteurs bij wie hij ‘le naturel’ verkiest boven ingestudeerde
nummertjes. Dat verklaart meteen het plezier dat bij momenten
afstraalt van de vertolkers, in de hitte van de strijd. Want
relaties verkennen, zijn domein afbakenen, zijn plaats en
persoonlijkheid vinden, staat ook wel eens gelijk met strijd,
onderling, alleen of in duo. De charme van deze olijke film ligt
vooral in de vertelstructuur die overkomt als een mozaïek van
bijna toevallige opmerkingen, ideetjes, ontmoetingen,
misverstanden en amoureuse verwikkelingen. Dat de regisseur
tempo weet te houden en geen van zijn personages uit het oog
verliest, is geen kleine verdienste. Dat hij hun emoties in
juiste banen leidt en goedkope effecten vermijdt, is een
opmerkelijk pluspunt. Om al deze redenen waarborgt ‘L’Auberge
espagnole’ een verkwikkende, pittige, plezierige en deugddoende
filmavond : de boog hoeft immers niet altijd gespannen te zijn,
niet ? Ook een film mag een glimlach waard zijn. Vandaar. Een
moment van ontspanning, vol knipoogjes naar hedendaagse
toestanden. Wat wil een mens nog meer, af en toe ? |