
Officiële site
met trailer |
19 10 2004 Regie:
Scenario:
Fotografie:
Muziek:
Montage:
Vertolking: |
Shari Springer & Robert Pulcini
Shari Springer & Robert Pulcini
Terry Stacey
Mark Suozzo
Robert Pulcini
Paul Giamatti / Harvey Pekar, Hope Davis (Joyce Brabner),
Judah Friedlander / Toby Radloff
|
|
|
 |
‘Ordinary life is pretty complex stuff’. Dat is de slagzin van de
film American Splendor, recht voor de raap en nagel op de kop.
De documentairemakers en echtgenoten Shari Springer Berman en
Robert Pulchini zijn erin geslaagd om dit motto van ene Harvey
Pekar qua sfeer te vertalen in een eigenzinnige biopic, die het
midden houdt tussen realiteit en fictie. Maar wie is Harvey
Pekar in godsnaam? Indien u het antwoord niet kent, hoeft u
uzelf niets te verwijten, hij is maar een heel gewone man uit
een van de kleinere steden (Cleveland, Ohio) ergens in de
Verenigde Staten. Een archivaris op persioen, na 35 jaar trouwe
dienst in een veteranen-ziekenhuis tegen een schamel loon –
nauwelijks meer dan het minimum. Toch heeft deze ‘gewone’
Amerikaan zichzelf weten op te werken tot een soort working
class hero binnen een bescheiden kring van lezers van
alternatieve strips. Vanaf zijn twintiger jaren begon Pekar
zichzelf intellectueel te verrijken, vooral door het lezen van
boeken. Na een tijdje ging hij artikels schrijven over
jazzmuziek en literatuur, terwijl zijn job hem enige
bestaanszekerheid gaf. Tijdens een rommelmarkt maakte hij
toevallig kennis met Robert Crumb, een van de vaders van de
zogenaamde underground strips (o.a. Fritz the Cat). Deze
moedigde hem aan in zijn ideeën om zijn dagdagelijkse leven neer
te schrijven als scenario voor een strip, een van zijn favoriete
media. Crumb tekende de illustraties bij de eerste afleveringen
van wat de in populariteit en creativiteit steeds groeiende
reeks American Splendor zou worden, uitgegeven door Harvey in
eigen beheer. Op jaarlijkse basis verscheen deze strip vanaf
1976 en loopt door tot op de dag van vandaag.
Op deze stripreeks, die alledaagse gebeurtenissen van een
doorsnee Amerikaan in beeld brengt, baseren Springer Berman en
Pulchini hun versie van het leven van Pekar. Het is dus geen
betrouwbare biografie, maar een schets van de zieleroerselen van
iemand die vanuit zijn pretentieloze perspectief zichzelf en de
wereld om hem heen beschrijft. Bijvoorbeeld het gedrag van een
oud joods vrouwtje aan de kassa in de supermarkt. Dit levert
hilarische en tegelijkertijd tragische resultaten op. De hele
film twijfelt op die manier tussen komedie en tragedie, met als
belangrijke drijfveer een gezonde en lichte dosis cynisme. En op
zijn manier is Pekar een beetje een hedendaagse Diogenes, de
cynicus met zijn ton uit het oude Athene, die met zijn
onconformistische filosofie wel eens tegen de stroom in roeit,
zonder zich echter buiten de samenleving te plaatsen. De
stripreeks brengt Pekar wat bekendheid en doet hem zelfs
regelmatig verschijnen in David Letterman’s in Amerika razend
populaire talkshow Late Night. Totdat hij het ook daar begin
jaren 1990 te bont maakt met zijn kritische uitlatingen en van
de gastenlijst wordt geschrapt.
Op de stripreeks zijn reeds enkele toneelstukken gebaseerd, dus
naast de verschillende stripversies (door verschillende
tekenaars) van Harvey Pekar zijn er de toneelversies en nu dus
ook een filmversie. Maar deze doet meer dan oude wijn in nieuwe
zakken gieten. Het originele aan de filmversie is juist dat ze
een zestal verschillende Pekars combineert zonder de rode draad
van ’s mans leven te verliezen. Met veel gevoel voor inleving
krijgen we hier een portret van een man die soms zelf zijn eigen
leven en dat van zijn alter-ego nauwelijks nog uit elkaar kon
houden. Het verhaal begint met de fictieve Harvey als kleine
jongen. Dan is er de volwassen Harvey, schitterend vertolkt door
Paul Giamatti, en zijn vrouw Joyce Brabner, gespeeld door Hope
Davis. Dit deel speelt zich af in de jaren 1970 - ‘80. We leren
Harvey, zijn vrienden en collega’s kennen, zijn eentonige werk
en zijn scherpe tong. We vernemen hoe ‘American Splendor’
ontstaat, hoe hij zijn vrouw ontmoet, hoe ze samen lief en leed
delen. Dit deel werd gefilmd met een beperkt, mat kleurenpalet
om “het industriële landschap van Harvey’s leefwereld weer te
geven” (Springer Berman & Pulchini). Een derde fictieve Harvey
is die van de cartoons die af en toe in het verhaal zijn
toegevoegd. De vierde fictieve Harvey vinden we binnen het
verhaal van de eerste, waar deze gaat kijken naar een
toneelversie van de strip over zijn leven. Naast dit alles is er
nog de echte Harvey, geïnterviewd op het moment van het maken
van de film, met commentaren op zijn strips en dus ook op
zichzelf. Tot slot zijn er nog archiefbeelden van Harvey’s
optreden, meer dan vijftien jaren geleden, in de Late Night
show.
Dat al deze versies samen een indringende impressie geven van de
man die aan de basis ervan ligt, is een heuse stunt, die toch
niet de pretentie heeft meer te zijn dan interpretatie. De vorm
van het stripverhaal wordt door de makers van de film tot een
centraal beeldmotief uitgewerkt, wat hun bedoeling duidelijk
maakt dat zij zich baseren op de stripversie, minder dan op de
levende persoon. ‘Perceptie’ is vandaag een modewoord, maar het
is hier wel van toepassing. Harvey heeft zijn beeld van de
wereld en het leven, de tekenaars maken er hun beeld van, de
filmmakers nog een ander en wij destilleren uit al deze gegevens
dat van ons. Die houding van kritische perceptie ligt eigenlijk
aan de basis van de onafhankelijke strip- en filmproductie in de
VS. Noem het Amerika door de achterdeur: Amerika gezien door de
ogen van doodgewone, gezond kritische inwoners. En dat alleen
geeft een frisse kijk op die wereldmacht die dagelijks de
actualiteit beheerst. Qua strips spreken we dan zoals gezegd van
de underground. In het kielzog van tekenaars als bovengenoemde
Robert Crumb volgden een hele reeks auteurs, die ervan overtuigd
zijn dat strips een volwassen en kritisch publiek kunnen
aanspreken en over meer kunnen gaan dan superhelden (de
openingsscène van ‘American Splendor’ verwijst hiernaar). Een
bekend stripauteur die in de lijn van die underground-artiesten
te plaatsen valt is Daniel Clowes, wiens ‘Ghost World’ (recent
verfilmd door Terry Zwigoff) baadt in dezelfde sfeer van
haat/liefde tegenover de States en haar inwoners. De kritiek en
de dubbelzinnige houding vinden we trouwens ook terug bij
Michael Moore, al is de toon van diens werken veel directer en
meer gericht op specifieke onderwerpen. Als we Moore beschouwen
als een onderzoeksjournalist, dan spreken we hier eerder van
columnisten.
De onafhankelijke filmproductie in Amerika wordt wel eens
Indiewood genoemd, als alternatief van de independents tegenover
de massaproductie van Hollywood. Geldschieter voor ‘American
Splendor’ was tv-zender HBO, die bekendstaat om meer gedurfde en
vaak kwaliteitsvolle televisie- en filmproducties. Producent Ted
Hope verdiende zijn sporen o.a. met ‘Happiness’ de donkere
komedie van Todd Solondz, ook nog zo’n schitterende columnist
van Amerika’s achtertuin.
Voor onafhankelijke filmmakers is het vaak moeilijk om aan het
werk te geraken en te blijven, en vervolgens om een forum te
vinden. Het Sundance filmfestival in New York, waar American
Splendor de grand jury price wegkaapte (later volgden nog de
prijs van de interna-tionale filmkritiek in Cannes en een
Oscarnominatie), richt zich specifiek op onafhankelijke
producties. Maar vaak geraken dit soort films niet verder dan
het festivalcircuit, omdat ze voor distributeurs financieel
weinig interessant zijn en niet kunnen optornen tegen de
monsterachtige promotiemachines van de grote studio’s. En dat is
jammer. Niet dat onafhan-kelijk meteen synoniem is voor
kwaliteitsvol, of dat kaskrakers per definitie slechte films
zijn. Maar hoe meer stemmen er weerklinken, hoe rijker de
verbeelding. En dat is nooit een over-bodige luxe, want het
gewone leven is verdomd ingewikkeld.
|
|