.: 2004-2005  Deel 1 :.

02-03 Deel    2 05-06 Deel 1 2 08-09 Deel 1 2  
03-04 Deel 1 2 06-07 Deel 1 2 09-10 Deel 1 2  
04-05 Deel 1 2 07-08 Deel 1 2

 

 

Officiële site
met trailer

19 10 2004

Regie:
Scenario:
Fotografie:
Muziek:
Montage:
Vertolking:

AMERICAN SPLENDOR USA 2003 101'

Shari Springer & Robert Pulcini
Shari Springer & Robert Pulcini
Terry Stacey
Mark Suozzo
Robert Pulcini
Paul Giamatti / Harvey Pekar, Hope Davis (Joyce Brabner),
Judah Friedlander / Toby Radloff
 

‘Ordinary life is pretty complex stuff’. Dat is de slagzin van de film American Splendor, recht voor de raap en nagel op de kop. De documentairemakers en echtgenoten Shari Springer Berman en Robert Pulchini zijn erin geslaagd om dit motto van ene Harvey Pekar qua sfeer te vertalen in een eigenzinnige biopic, die het midden houdt tussen realiteit en fictie. Maar wie is Harvey Pekar in godsnaam? Indien u het antwoord niet kent, hoeft u uzelf niets te verwijten, hij is maar een heel gewone man uit een van de kleinere steden (Cleveland, Ohio) ergens in de Verenigde Staten. Een archivaris op persioen, na 35 jaar trouwe dienst in een veteranen-ziekenhuis tegen een schamel loon – nauwelijks meer dan het minimum. Toch heeft deze ‘gewone’ Amerikaan zichzelf weten op te werken tot een soort working class hero binnen een bescheiden kring van lezers van alternatieve strips. Vanaf zijn twintiger jaren begon Pekar zichzelf intellectueel te verrijken, vooral door het lezen van boeken. Na een tijdje ging hij artikels schrijven over jazzmuziek en literatuur, terwijl zijn job hem enige bestaanszekerheid gaf. Tijdens een rommelmarkt maakte hij toevallig kennis met Robert Crumb, een van de vaders van de zogenaamde underground strips (o.a. Fritz the Cat). Deze moedigde hem aan in zijn ideeën om zijn dagdagelijkse leven neer te schrijven als scenario voor een strip, een van zijn favoriete media. Crumb tekende de illustraties bij de eerste afleveringen van wat de in populariteit en creativiteit steeds groeiende reeks American Splendor zou worden, uitgegeven door Harvey in eigen beheer. Op jaarlijkse basis verscheen deze strip vanaf 1976 en loopt door tot op de dag van vandaag.

Op deze stripreeks, die alledaagse gebeurtenissen van een doorsnee Amerikaan in beeld brengt, baseren Springer Berman en Pulchini hun versie van het leven van Pekar. Het is dus geen betrouwbare biografie, maar een schets van de zieleroerselen van iemand die vanuit zijn pretentieloze perspectief zichzelf en de wereld om hem heen beschrijft. Bijvoorbeeld het gedrag van een oud joods vrouwtje aan de kassa in de supermarkt. Dit levert hilarische en tegelijkertijd tragische resultaten op. De hele film twijfelt op die manier tussen komedie en tragedie, met als belangrijke drijfveer een gezonde en lichte dosis cynisme. En op zijn manier is Pekar een beetje een hedendaagse Diogenes, de cynicus met zijn ton uit het oude Athene, die met zijn onconformistische filosofie wel eens tegen de stroom in roeit, zonder zich echter buiten de samenleving te plaatsen. De stripreeks brengt Pekar wat bekendheid en doet hem zelfs regelmatig verschijnen in David Letterman’s in Amerika razend populaire talkshow Late Night. Totdat hij het ook daar begin jaren 1990 te bont maakt met zijn kritische uitlatingen en van de gastenlijst wordt geschrapt.

Op de stripreeks zijn reeds enkele toneelstukken gebaseerd, dus naast de verschillende stripversies (door verschillende tekenaars) van Harvey Pekar zijn er de toneelversies en nu dus ook een filmversie. Maar deze doet meer dan oude wijn in nieuwe zakken gieten. Het originele aan de filmversie is juist dat ze een zestal verschillende Pekars combineert zonder de rode draad van ’s mans leven te verliezen. Met veel gevoel voor inleving krijgen we hier een portret van een man die soms zelf zijn eigen leven en dat van zijn alter-ego nauwelijks nog uit elkaar kon houden. Het verhaal begint met de fictieve Harvey als kleine jongen. Dan is er de volwassen Harvey, schitterend vertolkt door Paul Giamatti, en zijn vrouw Joyce Brabner, gespeeld door Hope Davis. Dit deel speelt zich af in de jaren 1970 - ‘80. We leren Harvey, zijn vrienden en collega’s kennen, zijn eentonige werk en zijn scherpe tong. We vernemen hoe ‘American Splendor’ ontstaat, hoe hij zijn vrouw ontmoet, hoe ze samen lief en leed delen. Dit deel werd gefilmd met een beperkt, mat kleurenpalet om “het industriële landschap van Harvey’s leefwereld weer te geven” (Springer Berman & Pulchini). Een derde fictieve Harvey is die van de cartoons die af en toe in het verhaal zijn toegevoegd. De vierde fictieve Harvey vinden we binnen het verhaal van de eerste, waar deze gaat kijken naar een toneelversie van de strip over zijn leven. Naast dit alles is er nog de echte Harvey, geïnterviewd op het moment van het maken van de film, met commentaren op zijn strips en dus ook op zichzelf. Tot slot zijn er nog archiefbeelden van Harvey’s optreden, meer dan vijftien jaren geleden, in de Late Night show.

Dat al deze versies samen een indringende impressie geven van de man die aan de basis ervan ligt, is een heuse stunt, die toch niet de pretentie heeft meer te zijn dan interpretatie. De vorm van het stripverhaal wordt door de makers van de film tot een centraal beeldmotief uitgewerkt, wat hun bedoeling duidelijk maakt dat zij zich baseren op de stripversie, minder dan op de levende persoon. ‘Perceptie’ is vandaag een modewoord, maar het is hier wel van toepassing. Harvey heeft zijn beeld van de wereld en het leven, de tekenaars maken er hun beeld van, de filmmakers nog een ander en wij destilleren uit al deze gegevens dat van ons. Die houding van kritische perceptie ligt eigenlijk aan de basis van de onafhankelijke strip- en filmproductie in de VS. Noem het Amerika door de achterdeur: Amerika gezien door de ogen van doodgewone, gezond kritische inwoners. En dat alleen geeft een frisse kijk op die wereldmacht die dagelijks de actualiteit beheerst. Qua strips spreken we dan zoals gezegd van de underground. In het kielzog van tekenaars als bovengenoemde Robert Crumb volgden een hele reeks auteurs, die ervan overtuigd zijn dat strips een volwassen en kritisch publiek kunnen aanspreken en over meer kunnen gaan dan superhelden (de openingsscène van ‘American Splendor’ verwijst hiernaar). Een bekend stripauteur die in de lijn van die underground-artiesten te plaatsen valt is Daniel Clowes, wiens ‘Ghost World’ (recent verfilmd door Terry Zwigoff) baadt in dezelfde sfeer van haat/liefde tegenover de States en haar inwoners. De kritiek en de dubbelzinnige houding vinden we trouwens ook terug bij Michael Moore, al is de toon van diens werken veel directer en meer gericht op specifieke onderwerpen. Als we Moore beschouwen als een onderzoeksjournalist, dan spreken we hier eerder van columnisten.

De onafhankelijke filmproductie in Amerika wordt wel eens Indiewood genoemd, als alternatief van de independents tegenover de massaproductie van Hollywood. Geldschieter voor ‘American Splendor’ was tv-zender HBO, die bekendstaat om meer gedurfde en vaak kwaliteitsvolle televisie- en filmproducties. Producent Ted Hope verdiende zijn sporen o.a. met ‘Happiness’ de donkere komedie van Todd Solondz, ook nog zo’n schitterende columnist van Amerika’s achtertuin.

Voor onafhankelijke filmmakers is het vaak moeilijk om aan het werk te geraken en te blijven, en vervolgens om een forum te vinden. Het Sundance filmfestival in New York, waar American Splendor de grand jury price wegkaapte (later volgden nog de prijs van de interna-tionale filmkritiek in Cannes en een Oscarnominatie), richt zich specifiek op onafhankelijke producties. Maar vaak geraken dit soort films niet verder dan het festivalcircuit, omdat ze voor distributeurs financieel weinig interessant zijn en niet kunnen optornen tegen de monsterachtige promotiemachines van de grote studio’s. En dat is jammer. Niet dat onafhan-kelijk meteen synoniem is voor kwaliteitsvol, of dat kaskrakers per definitie slechte films zijn. Maar hoe meer stemmen er weerklinken, hoe rijker de verbeelding. En dat is nooit een over-bodige luxe, want het gewone leven is verdomd ingewikkeld.