J.C. Chandor J.C. Chandor Frank G. De Marco
Quinaz Larson Pete Beaudreau Kevin Spacey (Sam Rogers), Paul
Bettany (Will Emerson), Jeremy Irons (John Tuld), Mary McDonnell
(Kay Roers), Demi Moore (Sarah Robertson), Stanley Tucci (Eric
Dale), Zacchary Quinto (Peter Sullivan), Penn Bradley (Seth
Bregman), Simon Baker (Jared Cohen), Aasif Mandvi (Ramesh Shah),
Ashley Williams (Heather Burke)
Geld of menselijkheid?
Wie ooit Charles Ferguson’s documentaire “Inside Job” bekeek en
zich Oliver Stone’s “Wall Street (I & II) en Michaël Moore’s
“Capitalism : a love story” herinnert, weet dat er in de
financiële wereld geen geschenken uitgedeeld worden en de groten
steevast de dans ontspringen op de rug van de ‘cliënten’. Van
bankencrisis naar financiële crisis : redden wie zich redden kan.
Met één zekerheid nog, voorlopig : wie geen basisdekking meer
heeft, gaat failliet. Dat is een vanzelfsprekende economische
waarheid, niet ? Maar wat als je alles fictief maakt, cijfers
incluis, het vermogen van anderen eerst ? Is dit verantwoord
economische handelen of oplichting ? ‘Margin Call” focust op de
financiële crisis die door Golman Sachs, Lehman Brothers e.a. in
één etmaal werd veroorzaakt, met een onmenselijk cynisme en een
even onvoorstelbare lichtvaardigheid. Een crisis waarin alleen
echte ‘winners’ schaamteloos overleven. Over deze ‘inner circles’
waar computercijfers veel belangrijker zijn dan het bruto
nationaal geluksgevoel van mensen rondom ons heeft regisseur J.C.
Chandor een pakkende, boeiende, meeslepende, interessante en
revelerende film gemaakt waarin mensen stilaan weer hun
eigenwaarde hervinden na de crash. Dit ontwaken uit een nare droom
, die menselijkheid afschreef als ballast bij mega-geldgewin, oogt
fris en maakt openingen naar een opgewaardeerde solidariteit in
bange dagen. Of wat daarvoor moet doorgaan.
“Margin Call’
doorprikt met zwier de kunstmatige luchtbel van beurssprookjes en
bonussen die het financiële wereldje, vol overtrokken eigenwaarde
en overgewaardeerde salarissen, te kijk stelt. Deze pittige
doorlichting van het spel aan de top met het zo gewaardeerde
‘slijk der aarde’ ten koste van derden stelt loyauteit, zekerheden
en elk sociaal vangnet in vraag. Wie soms van ‘D-Day’ of ‘Dooms
Day’ spreekt, heeft alleszins ‘the crashes’ van 1929, van 2008 en
van 2011 in het hoofd : dagen dat “de keizer geen kleren meer
draagt’. De brutale zonsverduistering, te wijten aan ongedekte
rommel-kredieten, stoelt op een pervers systeem zonder moraal of
tegenwaarde dat, bij instorting, ontaardt in een economisch
machtsspel dat iedereen, de kleinsten eerst, versneld in de val
meesleurt. Voor de ‘grote spelers’ blijkt elk verlies meteen een
nieuwe start voor andere onderdelen van hun imperium.
In
“Margin Call” leveren Kevin Spacey, Jeremy Irons, Demi Moore en
Paul Bettany ettelijke stevige duels, gesteund door Zaccharo
Quinto en Stanley Tucci : die confrontaties op het scherp van de
snee geven een klare kijk op de verborgen motivaties en ambities
die de top sturen naar steeds hogere winstcijfers, ongeacht de
gebruikte middelen of strategieën die dat enige doel het best
kunnen realiseren. De volgende carrièresprong en de verhoogde
verloning via bonussen is hierbij zowat de enige hefboom. Al is de
grootte van het bureau zowat de waardemeter van het effectief
belang van de ‘medewerker’ aan het ‘megaproject’. Het
risicodragend gedrag en de soms impulsieve beslissin-gen die ‘De
Markt’ inspireert aan deze ‘wonderboys’ is, voor buitenstaanders,
veeleer ‘a way to the final fall’. Maar zolang dat de medespelers
een stimulerende adrenalinestoot oplevert, zit het nog snor :
spelen met geld is sport op hoog niveau, niet ? Bij tegenslag kan
je nog altijd met gevatte smoesjes via besparingen, dwz ontslagen,
nieuwe marges vinden. Voor de firma uiteraard, niet voor de
medewerkers. Om het bedrijf in een mum van tijd weer fictief
gezond te maken : wie de afval koopt ( ‘mortage based securities’
heet dat in het opgesmukt vakjargon ), heeft brute pech. Wie eerst
dumpt, eerst wint ?
“Margin Call’ evoceert met brio een
superboeiend menselijk drama gesitueerd in ‘clean finance
buildings’, met als kader een bedroevend beroepsfiasco dat
gebaseerd is op de verwerpelijke gewoonte om meteen alles uit te
geven wat je in je ‘pocket’ hebt, omdat hogere financiële
salarissen als vanzelf hogere eisen en grotere uitgaven wettigen.
Een kwestie van stijl ? In weerwil van de Vlaamse spreuk : ‘de
tering naar de nering’. Zeer boeiend zijn de informatieve dialogen
die in snel tempo door doorgewinterde topacteurs worden verwoord,
maar tegelijk de innerlijke prioriteiten weerspiegelen van de
betrokkenen. Zo weet de jonge regisseur J.C. Chandor een
meeslepende analyse van de financiële wereld vandaag om te buigen
tot een erg menselijke film die, dankzij de scherp getekende
personages en info over hun achtergrond zelfs de handel en wandel
van de ‘haute finance’ diepte geeft. Menselijke diepte.
Uitzonderlijk dus. “Margin Call’ licht een ultiem hanen-gevecht
door aan de top van Wall Street : morele principes en immorele
hebzucht botsen op dit revelerend crisismoment, ter stichting en
lering van de omstaanders. Gelukkig zijn het in de film niet
allemaal geldwolven die teren op de risicoverkoop van niet
gewaarborgde investeringspakket-ten. “Margin Call’ gaat,
verrassend maar waar, over de mens achter de ‘banking freak’. Met
top-vertolkers in een zwierig gemonteerde actuele fabel over het
centrum van de wereldhandel. Leerrijk en actueel. Kritisch en
humaan. Een duidelijke aanrader : omdat mensen belangrijk (moeten)
zijn en blijven, niet ? Vooral in crisistijd.